Het is een gat in de markt voor kapsters in spe. Een kinderkapsalon. Op voorhand de kapper plannen is noodzakelijk, want de Bles & Tres waar Aiko klant is, is bijvoorbeeld tot 8 juli volgeboekt.
… een eigen soort van grijs …
Het is een gat in de markt voor kapsters in spe. Een kinderkapsalon. Op voorhand de kapper plannen is noodzakelijk, want de Bles & Tres waar Aiko klant is, is bijvoorbeeld tot 8 juli volgeboekt.
Ik bekijk de beide vrouwen aan de overkant van de tafel. Het sijpelt tot me door. Ik zou het niet kunnen. Elke dag die schrijnend verhalen over je heen krijgen, om dan tegen een overheidsmuur aan te lopen. Zij staan dan nog in de coulissen. Want het zal jouw kind maar zijn. Eentje met psychische gedragsproblemen die niemand wil. En als hij over de rooie gaat, krijg je in het ziekenhuis te horen dat er een wachtrij van drie weken is voor de ‘crisisopvang’.
Het commentaar op VT4 is tenenkrullend. De technische foutjes zijn niet te tellen. En de analysten houden een hemeltergende toogdiscussie. Geef mij maar Studio Sport. Hup Holland. En nu maar hopen dat ze niet naast hun voetbalschoenen gaan lopen en tegen Frankrijk op hun doos krijgen.
Een zwarte Audi Q7 parkeert tegen de rijrichting in tussen de verkeersborden. “Hans, ik bel je meteen terug.” Ik trek de voordeur open en wijs de chauffeur op de bordjes. Hij laat zijn raampje naar beneden glijden. Strakke zonnebril, oortelefoontje en gel in zijn haar. “Je bordjes staan niet juist.” “Ze staan toch duidelijk zichtbaar,” wijs ik hem. Ondertussen is de vrachtwagen aangekomen en staat die geduldig te pinken. Het raampje zoeft omhoog en hij blijft onverstoorbaar in zijn dikke bak zitten. Ik breng mijn gezicht op tien centimer van het portier en staar hem even onverstoorbaar aan. En het raampje zakt opnieuw. Hij neemt zijn duur hemdje tussen duim en wijsvinger en trekt er even aan. “Ik ben advocaat hé.” Ik slik mijn reactie in en repliceer droog “en ik bel graag de politie”. Hij scheurt weg. Ik heb gewonnen. L*l.
Het kan me eigenlijk geen moer schelen dat de meerderheid van de Brusselaars geen Nederlands spreekt, maar wel Frans, Arabisch of Pools. Het is wel onbegrijpelijk dat het begeleidend tekstje bij een kunstwerk in het trappenhuis van het Brussels Hoofdstedelijk Parlement in krakkemikkig Nederlands is opgesteld.
De bordjes staan uit. Het was een huzarenstukje om ze met Priscilla tot bij ons thuis te krijgen. Het zijn verkeersborden met een joekel van een voet. Ze steunen op een kruis van metalen buizen die het volledige voetpad in beslag nemen. Ploerten van borden dus. Of ‘artisanale‘ bordjes, zoals moontje het eufemistisch formuleerde. Begrijp me niet verkeerd, ik ben wel degelijk content ze te mogen lenen. Maar het zijn loebassen, kanjers, lichtekooien van borden.
Berichtje aan de vriendelijke mensen die ‘fietspomp in …’ intikken op google en dagelijks hier terecht komen : onze fietspomp is niet meer. Ze is naar de Filistijnen. Ik moet dringend een nieuwe kopen.
Na het bijeensprokkelen van de cd’s holde ik naar buiten. Het trouwkoppel stond niet meer op de kerkdorpel. De schoonbroer wist me te vertellen dat ze in een grijze audi zaten. Ik holde het kerkhof over en spotte een auto die aan de beschrijving voldeed. Ik zette een spurtje in en rukte het achterportier open. Twee grijze dametjes slaakten een gilletje. Ik mompelde een verontschuldiging en maakte me uit de voeten. En toch was het een dulle feest.
Ik duwde op het driehoekje. De versleten cd-speler sputterde tegen. Ik haalde de cd uit de lader, blies er een denkbeeldig stofje af en probeerde opnieuw. Error. Ik hield koppig vol. Vorig week tijdens het testje was er geen enkel ‘vuiltje’ aan de lucht. Na twintig keer de cd-speler te openen, vond de aftandse stereo de juiste groef. Ik was klaar voor de huwelijksviering. Vier liedjes lang hield hij het vol. Toen weigerde de stereo halsstarrig. Ik opende en sloot de speler vruchteloos. Het moment dat muziek door de kerk moest klinken, naderde. Ik slikte paniekerig en greep het stapeltje originele cd’s tussen duim en wijsvinger. Ze ontsnapten uit mijn zweterige klemgreep en kletterden op de kerkvloer. Ik grabbelde de cd’s bij elkaar. Vertwijfeld probeerde ik het juiste hoesje aan de juiste cd te koppelen. Geen tijd. Ik duwde opnieuw de gekopieerde cd in de lader. Tevergeefs. De priester keek over zijn schouder. Ik schudde mijn hoofd. Hij brabbelde iets door de microfoon en ging zitten. Ik staarde hem aan en fluisterde ‘ga maar verder’. Hij staarde terug en mompelde ‘probeer maar nog eens’. Ik volgde gedwee zijn orders. Niks. Ik maande de priester nog eens aan verder te gaan. Tergend traag rechtte hij zijn rug en slenterde hij terug naar zijn altaar. Ondertussen probeerde ik verwoed de cd-speler terug aan de praat te krijgen. Ook de originele cd’s weigerden dienst. Tot de stereo zijn verzet opgaf en het volgende liedje door de boxen knalde. Hallelujah. Niet de gedachte. Wel het liedje. Hallelujah.