Ik stamp op de trappers. Het gezoem klinkt vertrouwd. Als student verzamelde ik fietsen. Zedig pikte ik enkel gestolen fietsen die in een fietsrek aan het station verkommerden of eenzame fietsen die los tegen een blinde muur geparkeerd stonden. Na een tijdje puzzelde ik een fiets samen uit verschillende kapot gereden exemplaren. Nu rij ik terug op het stalen ros waarmee ik vanaf mijn veertiende overal - school, fuif of volleybal - naar toe peddelde. Het gezang van de dynamo herken ik uit de duizenden. Alleen zit Aiko nu achterop.






