Een stukje uit de oude doos. Teruggevonden na de verhuis. Getypt in mijn studententijd. Gepubliceerd in de Balans van februari 2001. Ik herken er mezelf nog steeds in. Een tikkeltje anders, een ferme scheut arrogantie en duidelijk naïef. En old school met een CD-speler in de oren. Trouwens. Ik sta nog steeds achter de boodschap. De elleboogmentaliteit is niet aan mij besteed.
Baby, baby, sweet baby, there is something that I just got to say. (Aretha Franklin)
Overwegende… Overwegende mijn botten ! Ik schrijf hier maar wat neer. Hoe is niet belangrijk, waarom wel. Waarom ? Wel, ik sukkel met een klein gezondheidsprobleem. Maar voordat ik jullie daar mee lastig val, wil ik even de situatie schetsen.
Voor het werkcollege administratief recht was de Leuvense gemeentelijke adjunct-secretaris uitgenodigd. Vrijdagmorgen 15 december gaf hij een sappig betoog over het reilen en zeilen in de Leuvense gemeentepolitiek. Hij schetste hoe Louis en Jozef-II onder elkaar de belangrijkste beslissingen bedisselden. Soit, dat even terzijde. De man moest, wegens tijdgebrek, noodgedwongen stoppen. Honderd van de honderdtwintig aanwezigen stormden naar voor. Neenee, niet om een handtekening van de brave man te ontfutselen. Ook niet omdat ik de avond ervoor op de kerstmarkt een braadworst met ongelooflijk veel ajuintjes in mijn mond had gepropt. Wel omdat iedereen zich bij een assistente moest inschrijven om een gemeenteraad in kleine groepjes bij te wonen.
De massa die als een woeste kudde buffels naar voor was gedenderd, drumde nu als een bende hysterische meiden rond Jimmy van Get Ready-zaliger. Ze zwermden als een squadron strontvliegen rond een smakelijke prooi, scheurden elkaar de kleren van het lijf als was het een dorp Ethiopiërs rond die eerste vrachtwagen boordevol gevuld met goudgele graankorrels. Do you get the picture ? Met ware doodsverachting wierpen ze zich in de draaikolk van ledematen om toch maar hun naam op die lijst van 18 december te schrijven. Sommigen slaagden, anderen kwamen huilend op handen en voeten terug te voorschijn gekropen. Weer hadden zij het onderspit moeten delven. Zij moeten in januari of februari de gemeenteraad bijwonen…
Dit alles gebeurde in een tijdspanne van enkele seconden. Ik had net tweemaal mijn handen bij elkaar kunnen brengen om een klappend geluid te produceren dat wegstierf in het kabaal. Kwestie van de man te bedanken … dan maar niet.
Ik trok mijn eerste pull over mijn hoofd, dan de tweede, hees mezelf in mijn leren frak, drukte op play en liet Aretha Franklin door mijn koptelefoon schallen. Ik slofte naar beneden om me bedeesd bij de troep gieren aan te sluiten. Totdat ik de micro in de gaten kreeg die door galante zwarte sloefen of hakjes vertrappeld werd.
Nu was het mijn beurt om mijn leven te wagen. Reeds bij de eerste poging kon ik de micro van een gewisse dood redden. Wie me kent, weet dat micro’s een onweerstaanbare aantrekkingskracht op me uitoefenen. Rare geluidjes, mensen ambeteren, playbacken –nog erger- : soundmixen-, jiha!
Maar ik dwaal af. Ik zat dus met een klein probleempje. Lag het aan die braadworst met bijhorende smakelijke ajuintjes ? Ik denk het niet. Maar ik kreeg terplekke het schijt, mijn gal speelde op, mijn tenen krulden en die hartkloppingen, die zijn ook niet zo gezond, dunkt me. Waarom jullie daarmee embeteren? Omdat ik het beu ben van in het rijtje te lopen, kotsbeu om braafjes in de les te zitten en een masker op te zetten. Strontbeu om niet mezelf te zijn.
Ben ik beter dan die benden fucked-up nerds ? Fuck nee, helemaal niet. Ik wil helemaal niets zeggen of aantonen. Ik wou enkel een voorbeeldje aanhalen van hoe zielig, dierlijk en kleinburgelijk we wel kunnen zijn. Wij, het intellectuele kruim van de toekomst … mijn botten !